U bent hier

Artikel

Lodewijk De Vocht (1887-1977) was als zanger, dirigent en componist gepokt en gemazeld in de religieuze en profane koormuziek. Een halve eeuw lang was hij verbonden aan het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, waar hij vanaf 1899 als koraaltje, in korte broek, solo’s zong. 2027 is het jaar van Lodewijk De Vocht: het is dan 140 jaar geleden dat hij geboren werd en 50 jaar geleden dat hij overleed. De Vocht schreef prachtige en haalbare koormuziek.

Op 8 maart kan je deelnemen aan een studie- en repertoiredag over het oeuvre van Lodewijk De Vocht.

Kapelmeester van de Kathedraal

De kapelmeester van de Kathedraal, de toen al befaamde violist-dirigent-componist Émile Wambach liep hij ook tegen het lijf tijdens zijn muziekopleiding aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium. Naast Wambach (compositie), kreeg hij er ook les van Jan Bacot (viool), Frans Lenaerts (piano) en Lodewijk Mortelmans (harmonie, contrapunt en fuga). In 1912 werd hij tweede kapelmeester in de Kathedraal, naast zijn leraar Wambach die hij na de Groote Oorlog als eerste kapelmeester zou opvolgen. Naast het opluisteren van de liturgische diensten, nam De Vocht zijn zangkapel soms ook mee buiten de muren van Kathedraal. Meestal stond er dan renaissancemuziek op het programma. Omwille van zijn verdiensten voor de liturgische muziek en voor de kathedraalkapel in het bijzonder kende Paus Pius XII in 1949 De Vocht  de Ordo Sanctus Gregorius Magnus toe. Priester-dirigent  Gabriël Striels volgde hem als kapelmeester op.

Aan het Antwerpse Conservatorium

Ondertussen was De Vocht ook verbonden aan het Antwerps Conservatorium, eerst als leraar, later als dirigent van de Conservatoriumconcerten en als directeur. In 1921 verving hij Edward Verheyden als harmonieleraar en in die functie gaf hij les aan onder anderen Daniël Sternefeld, Jef Maes en André Cluytens. Vier jaar later werd hij verantwoordelijk voor de orkestklas. In 1933 stelde hij zijn kandidatuur voor de opvolging van Lodewijk Mortelmans als directeur, maar het was zijn tegenkandidaat Flor Alpaerts die het haalde. Acht jaar later was hij opnieuw kandidaat, maar die keer werd Jef Van Hoof benoemd. Uiteindelijk werd hij op 12 december 1944, in moeilijke omstandigheden, dan toch benoemd tot Conservatoriumdirecteur, een functie die hij bekleedde tot zijn pensioen in 1952.
Buiten het Conservatorium was De Vocht actief binnen Muzikale Jeugd van Antwerpen (later Jeugd en Muziek) en van 1939 tot 1943 was hij directeur van de Muziekkapel van Koningin Elisabeth.

Een merkwaardige carrière als dirigent

Daarnaast bouwde De Vocht ook een merkwaardige carrière als dirigent uit. Hij leerde de stiel op het oksaal van de Kathedraal, maar ook door als jonge violist in het orkest van de Maatschappij der Nieuwe Concerten met de ogen te stelen van meesterlijke gastdirigenten als Gustav Mahler, Richard Strauss, Hans Richter en Felix Weingartner. In 1921 zou hij zijn leraar Lodewijk Mortelmans opvolgen als chefdirigent van de Nieuwe Concerten, en in 1935 werd hij dus ook dirigent van de Antwerpse Conservatoriumconcerten.

Ondertussen had hij het voormalige vrouwenkoor van Constance Teichmann en Amanda Schnitzler-Selb uitgebouwd tot het fameuze oratoriumkoor Chorale Caecilia. Met dat excellente koor bracht hij jaarlijks de Mattheuspassie en samen met het orkest van de Nieuwe Concerten zorgde hij voor baanbrekende uitvoeringen van Les Euménides van Darius Milhaud en Jeanne d'Arc au bûcher van Arthur Honegger, twee componisten met wie hij nauw samenwerkte. Met een veertigtal uitvoeringen van Jeanne d'Arc – tot in Parijs en op de Hollandfestivals van 1946 en 1947 toe – zou De Vocht de belangrijkste verdediger van dit werk worden. In 1943 zette hij  Jeanne d'Arc ook op plaat voor His Master's Voice en in 1960 dirigeerde hij het werk in een rechtstreekse Eurovisie-uitzending.

Omvangrijk en gevarieerd oeuvre

Naast al deze drukke, tijdrovende activiteiten componeerde De Vocht een omvangrijk en gevarieerd oeuvre bij elkaar. Al op zijn zestiende schreef hij liederen en koorwerken. Hij zou overwegend vocale muziek blijven schrijven, al componeerde hij in het begin van zijn carrière ook enkele frisse symfonische gedichten, als Dageraad (1907) en het emotioneel geladen In Ballingschap (1915). Op latere leeftijd voegde hij ook nog concerto's voor viool (1944), cello (1955) en blokfluit (1957) aan zijn opuslijst toe. Hij schreef ook enkele kamermuziekwerken en solostukken voor piano en gitaar. 

De grenzeloze virtuoos van de profane koormuziek bewandelde met een gelijkaardige intensiteit de weg van de dienstbaarheid in eenvoudige composities voor liturgisch gebruik.

Lees verder onder de video

Missa Brevis van Lodewijk De Vocht

Koorcomposities

Maar De Vochts meeste (en meest originele composities) zijn voor koor bestemd. Daarbij is er wel een duidelijk onderscheid tussen zijn liturgische gebruiksmuziek en zijn somtijds veeleisende ‘wereldse’ koorwerken. Of zoals Vic Nees het verwoordde: 'De grenzeloze virtuoos van de profane koormuziek bewandelde met een gelijkaardige intensiteit de weg van de dienstbaarheid in eenvoudige composities voor liturgisch gebruik.'

Als kerkkapelmeester moest De Vocht zich bewegen binnen de toch wel rigide richtlijnen van het Cecilianisme. Die principes werden door het Motu proprio van 1903 pontificaal vastgelegd, met name respect voor het woord, geen theatrale effecten maar eenvoud, beperkte  solistische elementen en de strenge Palestriniaanse koorstijl als ideaal.

De Vocht bezat de creativiteit en het compositorische vakmanschap om binnen die voorschriften toch boeiende koorwerken te schrijven, vol soepele vocale lijnen, interessante harmonieën en een wel afgewogen afwisseling tussen syllabische en melismatische passages. In 1915 schreef hij hieromtrent: 'Evenals voor het gregoriaans is het een hoofdvereiste de stemmen rustig te houden en geen hartstocht of gemaakt gevoel toe te laten.'

Voor de liturgie

Dit inzicht klinkt al door in de Missa in honorem Angelorum die hij in 1912 componeerde. Veel kerkmuziek zou volgen, en die was niet altijd alleen maar voor de Kathedraal bedoeld. De Vocht was ook zeer begaan met de kwaliteit van de muziekuitvoeringen in kleinere parochiekerken. De Missa in honorem Sti Josephi, bijvoorbeeld, componeerde hij in 1939 voor de eremis van zijn pas tot priester gewijde oudste zoon Jozef. Deze mis werd dan ook op 16 april 1939 tijdens de eremis in de kerk van ’s Gravenwezel gecreëerd. Op Allerheiligen van dat zelfde jaar voerde De Vocht deze mis in de Antwerpse Kathedraal opnieuw uit, met Alex Paepen aan het orgel.

Zoals ook in zijn andere liturgische partituren zorgt De Vocht hier binnen één werk voor ruime uitvoeringsmogelijkheden, van twee- tot vierstemmig, met of zonder begeleiding van orgel of harmonium. Zonder aan artistieke ambities in te boeten, componeerde hij deze mis binnen de mogelijkheden van elk modaal kerkkoor. Lastige intervallen en moeilijke ritmes worden vermeden en polyfone fragmenten tot een minimum beperkt. De verstaanbaarheid van de tekst primeerde. In de inleiding tot deze mis herhaalt De Vocht nog eens zijn credo: 'Bij het schrijven dezer mis werd er vooral naar gestreefd de muziek de dienares van het woord te doen zijn en de liturgische zin der te zingen teksten te helpen belichten, naar het voorbeeld van de gregoriaanse zang. Al wat in de syllabische zangen – Gloria, Credo en Agnus Dei – de klaarheid van het gezongen woord zou kunnen vertroebelen door thematische ontwikkeling in de verschillende partijen, waardoor meerdere woorden te samen gehoord worden en het de toehoorder onmogelijk wordt de tekst duidelijk te volgen, werd angstvallig vermeden; insgelijks al te zangerige en meeslepende vormen die de aandacht van de tekst kunnen afleiden.' De Vocht schrijft verder dat hij de melodie distilleerde uit het woordaccent en de zinsbouw. Polyfone passages en melismen komen dan ook slechts uitzonderlijk voor, bijvoorbeeld op het einde van het Gloria (“Cum Sancto Spiritu. Amen”) en in het Sanctus (“Hossana in excelsis”).
Om al deze redenen werd deze Missa in honorem Sti Josephi dan ook in Musica sacra (het tijdschrift van de Interdiocesane Kerkmuziekschool en van de Sint-Gregoriusvereniging) lovend gerecenseerd als 'liturgisch werk, door iedereen verstaanbaar, en op de hoogte van alle kerkkoren.' En dat geldt dus voor nagenoeg al zijn koormuziek. Naast zijn missen valt er in zijn motetten (XIV Cantica!) en psalmen nog veel moois te rapen.

Profane koormuziek

Ook tussen De Vochts profane koormuziek kan elk koor iets naar zijn smaak vinden, van kerstliederen, over volksliedbewerkingen tot zijn geestige Spreuken en Fabelen. Zijn eigen Chorale Caecilia daagde hij dan weer uit met virtuoze koorstudies en vooral met zijn magistrale woordloze Grote symfonie voor gemengd koor en orkest (1932), zijn opus magnum dat een opname door een topkoor en -orkest meer dan waard is. Voor koor en orkest schreef hij verder nog werken als Lofzang aan Antwerpen, Volkenhulde (voor de Wereldtentoonstelling in 1930), Scaldis Aeterna (1966) en het lyrisch zangspel Primavera (1962-1967). 

 

Tussen ambitie en dienstbare gebruiksmuziek

Lodewijk De Vocht was een extravert componist en dirigent die véél te geven had. Binnen die veelheid wist hij de componist van lyrisch-romantische werken te verzoenen met de dirigent van moderne partituren (Honegger, Milhaud, Stravinsky), en de ambitieuze componist van uitdagende koorwerken met de dienstbare componist van kwaliteitsvolle gebruiksmuziek.

Terug naar boven