U bent hier

Artikel

In deze korte geschiedenis van koorzingen en koormuziek staan we stil bij Heinrich Schütz. Niet iedereen is fan: zijn soms wat strenge muziek bezorgt je niet zomaar kippenvel. Maar als je de moeite doet om zijn wereld binnen te stappen, dan word je rijkelijk beloond. Dit is iemand die wist hoe je een koor kan laten zingen.

Heinrich Schütz valt niet op door een cantilene schrijfstijl à la Dufay. Zijn oeuvre is niet zo veelzijdig als dat van Lassus. Hij gebruikt niet de gedurfde chromatiek van Gesualdo, niet de grandeur van Gabrieli, niet de frivoliteit van Monteverdi. Hij lijkt ook niet het genie van een Bach te hebben gehad. En toch. In de koorwerken van Schütz zit het wel degelijk allemaal: zangerigheid, vakmanschap, veelzijdigheid, intellectuele diepgang, chromatiek, meerkorigheid, een scheutje frivoliteit, en ja ook genialiteit.  

Gedisciplineerde muziek met wrikkelruimte

Ons beeld van deze Heinrich is overigens ernstig vertekend door het ontbreken van een belangrijk deel van zijn oeuvre. Hij maakte veel muziek voor de bühne, maar daarvan is zo goed als niets overgeleverd. Zijn Dafne (1627) wordt beschouwd als ‘de eerste Duitse opera’ — maar geen noot ervan is ons bekend. We beschikken wel over een heel grote verzameling religieuze muziek, sterk vocaal van karakter. Wat we aan veelzijdigheid, diepgang, creativiteit en frivoliteit in zijn werken willen vinden, moeten we taxeren binnen de loopbaan van deze uiterst devote en gelovige man, die adellijke broodheren en bijzondere gelegenheden ten dienste stond met een stroom overwegend religieuze muziek waarvan niet verwacht of zelfs getolereerd werd dat die buiten haar oevers zou treden. Gedisciplineerde muziek, maar dan wel met heerlijk veel wrikkelruimte binnen het zelf opgelegde keurslijf. 

Die ene leermeester

Van bijna elke componist is een of ander verhaaltje bekend waaruit jeugdige genialiteit moet blijken. Van Händel werd gezegd dat hij als kind ’s nachts stiekem op het klavichord op zolder studeerde. Bij Schütz ook zoiets. Als landgraaf Maurits van Hessen-Kassel op een dag in de herberg van Heinrichs vader verblijft, hoort hij de knaap zingen. Overtuigd van diens talent biedt hij aan de jongen een gedegen opleiding te laten volgen, gesteund door het hof. Vader twijfelt, de landgraaf moet aandringen, maar uiteindelijk mag de jongen les volgen aan het Collegium Mauritianum in Kassel.

De familie Schütz is echter niet zo artistiek gezind. Ook dat lijkt wel een constante te zijn in componisten-biografieën: ‘Jongen, voor je muzikant wordt, misschien toch maar eerst een diploma halen’. De jonge Heinrich zal zelf nog lang blijven twijfelen aan zijn muzikaal talent en zijn ambitie. Hij overweegt jurist te worden, zoals enkele van zijn broers. Maar het artistieke bloed is onhoudbaar. Als hem als prille twintiger ter ore komt dat in Italië de bewonderde grootmeester Giovanni Gabrieli oud aan het worden is, vraagt en krijgt hij de toestemming om naar het zuiden te trekken. Landgraaf Maurits financiert opnieuw.

Voor Schütz zijn de Italiaanse jaren die volgen dé leerschool waarop zijn hele loopbaan gebaseerd zal blijven. Zelfs later contact met Monteverdi zal Schütz er niet vanaf houden Gabrieli als zijn enige leermeester te beschouwen. Gabrieli was pedagogisch gezien van de oude stempel. Geen tierlantijntjes asjeblief, gewoon eerst je vak leren. Contrapunt voorop. Pas als je daarover het volledige meesterschap hebt verworven, zal ik je een zekere vrijheid toestaan. Dan pas mag je me met dissonanten verrassen. 

Geen tierlantijntjes asjeblief, gewoon eerst je vak leren. Contrapunt voorop. Pas als je daarover het volledige meesterschap hebt verworven, zal ik je een zekere vrijheid toestaan. Dan pas mag je me met dissonanten verrassen. 

Getouwtrek om de muziekdirecteur

Nog onder het wakend oog van Gabrieli publiceert Schütz zijn eerste composities. Vijfstemmige madrigalen. Ook leert hij de kunst van het meerkorig schrijven beheersen. Wanneer hij na vier jaar Italië terugkeert naar Kassel — met in zijn koffer een ring die hij van de stervende Gabrieli heeft gekregen — toont hij wat hij geleerd heeft. Zijn loopbaan lang zal hij goed functionerende koormuziek schrijven, steeds met kenmerken van Italiaanse barok. De polyfonie van Schütz gaat als volgt: Alles begint bij oerdegelijk contrapunt, met veel imitatie tussen de stemmen, en gebaseerd op motieven die vertrekken vanuit de betekenis van het woord. In het meerstemmig weefsel loopt altijd ergens een stem voorop. Die ene stem zet de toon, het karakter, de sfeer. Daaruit volgt een kunstig gewriemel, dat echter nooit lang duurt. Voor je het weet zijn de stemmen het roerend eens geworden. Er volgt een gezamenlijke cadens, een uitdrukkelijk rustpunt, en de procedure herbegint. Altijd hetzelfde, altijd anders.

De inmiddels volwassen en volleerde componist wordt bij terugkomst uit Italië door verschillende werkgevers gegeerd. Tussen talentscout landgraaf Maurits en Johann Georg, keurvorst van Saksen met hof in Dresden, zal om Heinrich Schütz een jarenlang getouwtrek ontstaan. Eerst wordt Schütz nog voorzichtig uitgeleend, maar Maurits zal zijn oogappel snel kwijtspelen. Johann Georg laat hem niet meer gaan.

Wat moet zo’n hofcomponist eigenlijk allemaal doen? Schütz werd benoemd als organist en muziekdirecteur. Hij leverde muziek voor alle ceremonieën aan het hof, of ze nu religieus of politiek van aard waren. Soms is de muziek op concrete gebeurtenissen toegesneden (een doop, een huwelijk, een feestmaal…), maar vaker nog levert de hofcomponist muziek die in verschillende liturgische omstandigheden inzetbaar is. De titels van uitgegeven bundels spreken voor zich: Psalmen Davids, Cantiones Sacrae, Geistliche Chor-Musik … Net zoals de succentors aan laatmiddeleeuwse collegiale kerken moest Schütz ook voor aanwerving van muzikaal personeel zorgen, knapen opleiden en opvoeden, les geven. 

Afbeelding: uit Psalmen Davids

Dresden, 1619. Begin van Psalm 84 Wie lieblich sind deine Wohnunge (SWV29). Dit is de partij voor de hoogste stem van het eerste koor, zoals bovenaan aangegeven. Rechtsonder staat Psalmen Heinrich Schützen.

Let op de chromatiek van de openingszin linksboven: si mol, si, do, do kruis, re. Het notenbeeld doet nog erg aan de mensurale notatie van minstens honderd jaar eerder denken. Iemand heeft met de hand maatstrepen toegevoegd aan de gedrukte partituur.

Dresden, Sächsische Landesbibliothek — Staats- und Universitätsbibliothek, Mus.1.E.750,1 ©https://digital.slub-dresden.de/werkansicht/dlf/563867/2

Strepen door rekeningen

De adellijke bazen van Schütz zitten echter met grote problemen: de Dertigjarige Oorlog is begonnen. In het begin vallen de politieke en financiële consequenties ervan nog mee, maar het wordt snel duidelijk: voor muziek is geen geld meer. De hofkapellen blijven nog wel functioneren, maar de musici geraken nauwelijks nog betaald. Velen zullen de regio verlaten. Zo ook Schütz: in de periode tot aan de vrede van Westfalen in 1648 zal hij weliswaar officieel met het hof in Dresden verbonden blijven, maar ook voor langere tijd naar Firenze en Venetië trekken, enkele jaren kapelmeester aan het Deense hof in Kopenhagen worden, hier en daar als speciaal adviseur opduiken. 

En als dan na 1648 de vrede weer een kans krijgt, dan voelt Schütz zich oud worden. Hij wil met pensioen gaan, hetgeen hem maar heel moeizaam toegestaan wordt. Nog eens twintig jaar later toont Schütz zich eeuwige fan van oude polyfonie. Aan een collega componist vraagt hij een vijfstemmige zetting te maken van een fragment uit psalm 119, ‘in de stijl van Palestrina’. De hoogbejaarde Heinrich werkt zo aan het muzikaal scenario van zijn eigen begrafenis — niet ongebruikelijk in die tijd. 

Oorlog en vrede

Hoe politiek de job van hofkapelmeester kon worden is mooi geïllustreerd in het nummer 465 van de Schütz-catalogus: Da pacem domine. Dit dubbelkorig werk werd speciaal gemaakt voor de Kurfürstentag van 1627 in Mühlhausen, toen de hoop op een duurzame vrede nog leefde. Het ene koor bidt devoot om vrede — Schütz suggereert dat dit gezelschap erg zacht zou zingen en ondersteund wordt door een gambaconsort — terwijl het andere koor voluit de aanwezige vorsten toejuicht. Voor de aartsbischoppen uit bijvoorbeeld Keulen en Trier en voor de adellijke machthebbers uit Saksen of Brandenburg weerklinken de kloeke uitroepen Vivat Coloniensis, Vivat Trevirensis, Vivat Saxo, Vivat Brandenburgicus. In een soort refrein wordt daarenboven de ‘onoverwinnelijke’ keizer Ferdinand aangemoedigd: Vivat Ferdinandus, Caesar invictissimus. 

Helaas kon Schütz met dit werk de vrede niet helpen maken. Altijd maar opnieuw zien we hoe de machinaties onder machtige mannen de kansen op vrede vergiftigen. Toch zijn het precies dezelfde heren die de middelen hadden om onder meer de kunst van Heinrich Schütz mogelijk te maken. Dat zijn muziek vierhonderd jaar later ons nog zo kan beroeren, en dat we tegelijk nauwelijks nog begrijpen waarom er zoiets was als een Dertigjarige Oorlog, dat sterkt ons in de gedachte dat liefde en schoonheid inderdaad sterker zijn dan geweld. Waar mensen samenzingen, daar kan vrede bloeien. 

Terug naar boven